Greeting Message using JavaScript

Meekrap

Meekrappoeder geeft onze zeep een mooie roze kleur en daarnaast is de meekrapteelt in onze omgeving (Voorne-Putten) erg belangrijk geweest. We hebben dankzij het Streekarchief Voorne-Putten een mooi inzicht gekregen van de teelt en oogst in vroegere tijden.

Al eeuwenlang wordt meekrap gebruikt als verfstof in de textielindustrie (wol, zijde en katoen), maar ook als pigment voor olieverf of lijmverf. Het poeder wordt gewonnen uit de wortelstokken van de meekrapplant rubia tinctorum. Een plant die 60 tot 90 centimeter groot wordt met wortelstokken die 50 centimeter tot 1 meter in de grond steken. Het bestandsdeel dat zorgt voor de roze tot donkerrode kleur is alizarine.

Meekrapplant

Het winnen van een kwalitatief goede meekrappoeder was zeer tijdrovend. Vroeger werd daar een meestoof (langzaamaan oven) voor gebruikt. Een gebouw waar het gewas meekrap werd gedroogd en gemalen tot de rode verfgrondstof. Veel meekrap werd geteeld in Zeeland en dan vooral in de buurt van Goeree-Overflakkee. Ook op Voorne-Putten stond een meestoof. Tinte is een buurtschap waarvan het ontstaan te danken is aan de teelt van meekrap. De meestoof stond er tussen ca. 1631 en 1808.

De meestoof

De stoof was meestal eigendom van een aantal landbouwers die hun eigen plek in de stoof hadden en daar hun gewassen deponeerden. Na het drogen werden de wortels verpulverd. Dat werd ’s nachts gedaan, omdat zonlicht schadelijk was voor de kleurstof. Hoe fijner het poeder, des te beter de kwaliteit. Met al die olielampjes en het droge poeder was er een gevaar voor brand. De meestoof stond dan ook meestal ver van de bewoonde wereld. De arbeiders wilden toch dicht bij hun werk wonen en daar ontstond het kleine gehucht Tinte. In 1647 was er sprake van een herberg en 25 woningen en woonden er naar schatting zo’n 100 mensen. Overigens is bij het Streekarchief Voorne-Putten het verhaal dat Tinte is genoemd naar de Latijnse naam voor meekrap, rubia tinctorum, aan twijfel onderhevig. De naam Tinte kwam al voor, voordat de plant deze officiële naam kreeg … Of er moet rond 1600 in de plaats iemand geweest zijn met kennis van Latijn en daarom ‘tinctus’, oftewel ‘geverfd’ heeft ingevoerd als plaatsbepaling.

De belangrijkste beurs voor meekrap zat in Rotterdam en daar werd het poeder naar toe vervoerd in eikenhouten vaten. In 1900 kwam de ontwikkeling van synthetische kleurstoffen op gang en nam de productie af en verdwenen de meestoven.

Tinte ten tijde van de meekrapteelt

De teling en de bereiding in vroegere tijden.

Het zaad werd eerst geweekt en moest daarna drogen voordat het uitgezaaid werd. Het daarop volgende jaar konden de jonge plantjes verplant en uitgezet worden op het land. In de maand september van het 2e jaar vormde de plant opnieuw zaad dat men weer verzamelde. Een aantal keren per jaar maaiden ze het loof (blad) af. Daardoor werden de wortels groter en het blad werd gebruikt als koeienvoer.

Pas in het 3e jaar kon men de wortels oogsten. Deze werden beschut weggelegd om te drogen. Kwam er geen sap meer uit de wortels, dan kon verdere droging worden voortgezet in ovens. Pas als ze bros en krakend waren gingen ze naar de dorsvloer. Het vuil werd er voorzichtig van afgeslagen en door wannen (schudden, opgooien) en ziften nog meer gezuiverd. Voordat de wortel gemaald kon worden moest deze ook nog weken. Afhankelijk van welke soort meekrapplant gebruikten ze mengsels van water met honing, zemelen, soda of schapenmest, maar ook azijn.

Eenmaal tot poeder gemaald werd het nog meerdere malen gezeefd. Alles wat achter bleef op de zeef werd nogmaals gemaald. Uiteindelijk werd het fijnste poeder in vaten verpakt.

Onze zepen waar meekrappoeder in is verwerkt; Bloem

Met dank aan het Streekarchief Voorne-Putten